Minister Cooper en de Rekenkamer: inhoudelijk conflict of aanval op toezicht?

WILLEMSTAD - De brief van minister Cooper is geen gewone inhoudelijke tegenreactie op een kritisch rapport, maar een frontale botsing met het idee van onafhankelijk financieel toezicht. Wie zijn bezwaren langs de lat van het Rekenkamerrapport legt, ziet dat Cooper nauwelijks aantoont dat de grote financiële problemen die zijn vastgesteld niet bestaan.
Redactioneel commentaar
De overschrijdingen, fouten en onzekerheden – samen goed voor miljarden – worden niet weerlegd, maar juridisch herverpakt. Daarmee verschuift hij het debat van de vraag of het misgaat, naar de vraag wie mag zeggen dat het misgaat.
Dat is wezenlijk iets anders dan een technische discussie over cijfers.
Het is een poging om de interpretatie van die cijfers te heroveren, nadat ze politiek ongemakkelijk zijn geworden.
De Rekenkamer heeft het weerwoord van de regering niet genegeerd, maar juist uitvoerig verwerkt en beantwoord. Dat zij daarna haar conclusies handhaaft, is geen teken van onzorgvuldigheid, maar precies de kern van onafhankelijk toezicht: luisteren, wegen en vervolgens zelf oordelen.
Door vervolgens niet te vragen om correcties, maar om intrekking van het rapport, trekt Cooper het conflict weg uit de sfeer van controle en verantwoording en plaatst hij het in de sfeer van institutionele machtsstrijd. Daarmee wordt niet het financiële probleem geadresseerd, maar de instantie die het probleem zichtbaar maakt.
Dat is bestuurlijk riskant. Niet omdat een minister geen kritiek mag hebben op een toezichthouder, dat mag en moet zelfs, maar omdat hier het signaal wordt afgegeven dat toezicht acceptabel is zolang het geen pijn doet.
Het meest problematische is echter wat níét gebeurt:
geen overtuigende weerlegging van de kern, geen erkenning van structurele tekortkomingen, geen helder plan hoe Curaçao wél naar een financieel beheer gaat dat betrouwbaar, controleerbaar en rechtmatig is.
Zolang de discussie draait om de boodschapper in plaats van om de boodschap, blijft het financiële probleem intact – en verplaatst de politieke schade zich van de cijfers naar de instituties.
En dát is precies waar de echte zorg zou moeten liggen.

































